Van Gogh
.
Als kind hield ik van Van Gogh – voor zover je van iemand kunt houden die al meer dan 120 jaar dood is. Het waren niet alleen zijn schilderijen die op mij een onuitwisbare indruk maakten, maar ook zijn brieven. In zijn korte leven schreef Van Gogh er honderden, soms wel twee of drie per dag. Ik ken alleen de bloemlezing ervan, maar dat zijn toch nog altijd 700 pagina's. De reden waarom ik zo geraakt was door al deze brieven is niet omdat ze zo bijzonder mooi van taal zijn. Stilistisch stellen ze niet zo veel voor. Daarnaast is de inhoud erg prozaïsch; naast de vele observaties van de natuur en beschrijvingen van zijn eigen schilderijen, gaan de brieven bijna altijd over (gebrek aan) geld, de noodzaak om verf, linnen en spanramen te kopen en het zoeken naar modellen en naar (steeds weer) andere huisvesting. Het was dus noch de stijl noch de inhoud van de brieven van Van Gogh die mij als kind interesseerden. De reden waarom ze wel zo veel indruk op mij maakten, was de bevlogenheid die daar uit sprak. Een paar citaten heb ik bewaard: 'Het schilderen naar de natuur, het worstelen met de werkelijkheid – ik wil het niet wegredeneren, jarenlang heb ik haast vruchteloos en met allerlei trieste resultaten het zo aangepakt. En altijd zo doorgaan zou gekkenwerk zijn, en dom, toch zou ik die fout niet willen missen. [...] zo hard te werken, al is het schijnbaar tevergeefs, geeft een vertrouwdheid met de natuur, een degelijker kennis van de dingen.'
Over het werkproces zelf is Van Gogh opvallend ambivalent: 'Hoe ik het schilder weet ik zelf niet, ik kom met een witte plank voor de plek zitten die mij treft, ik kijk naar hetgeen ik voor ogen heb, ik zeg tot mezelf: die plank moet iets worden – ik kom terug ontevreden – ik zet het weg – en als ik wat uitgerust ben ga ik er met een soort angst naar kijken – en dan blijf ik nog ontevreden [...] maar toch zie ik in mijn werk een terugklank van hetgeen mij trof [...] maar het is nog niet het eigenlijke wat ik wil. [...] Nu eens vind ik het heel lelijk, dan weer lijkt het me goed. Enfin, geduld en voortwerken is de kwestie.' Ik vond en vind dit bijzonder ontwapenend. Zonder iets te rationaliseren thematiseert hij zijn eeuwige onvermogen de kwaliteit van zijn eigen werk te beoordelen. Wat mij het meest geraakt heeft in de brieven van van Gogh is een citaat dat ik nu even niet zo snel kan traceren, daarom citeer ik uit mijn hoofd: 'Ik kan heel goed leven zonder God, maar voor mij hoeft het niet als er niet iets groter is dan wat ik zo om mij heen zie.'
Er zijn natuurlijk wel meer bevlogen mensen op aarde maar meestal zijn dat idealisten, mensen die uit enthousiasme ergens aan beginnen en alles vervolgens 'als één grote uitdaging' zien. Nee, op dat soort optimisten zat ik als kind niet te wachten. Van Gogh's bevlogenheid stamde uit een heel andere hoek. Hijzelf beschrijft het zo: 'Hoe lelijker, boosaardiger en zieker ik word, hoe meer ik mij wil wreken door briljante, goed geordende, schitterende kleuren te maken.' Kijk, dat is nou een taal die ik als twaalfjarige begreep, een taal die ik nog steeds begrijp.